Houvast

“Als alles donker is, ontsteek dan een lichtend vuur, een vuur dat nooit meer dooft” luidt de tekst van een geliefd lied uit de traditie van Taizé.

Het licht van Advent, dat kaarsje voor kaarsje elke week groeit, wordt in het groot overgenomen in Eindhoven en omgeving. Het lichtfeest Glow heeft ons allen weer geraakt met een adembenemend schouwspel van licht en kleur, in de duisternis van de nacht. Van een heel andere orde van grootte, maar met de zelfde universele boodschap is de Adventskrans bij ons thuis: met vier kaarsjes die op de zondagen aangestoken mogen worden, die zo een trapje vormen naar het Kerstfeest.

Het aansteken van kaarsjes, waxinelichtjes en gekleurde ledlampen helpt om allerlei donkere gedachten te verdrijven, en ons bedrukte gemoed te verlichten, is iets dat iedereen begrijpt. Licht is een universeel symbool dat betekenis zal houden zolang er mensen zijn op aarde, en daarna. Maar wat betekent het voor óns, in onze Christelijke traditie?

Bij ons staat het licht voor de geboorte van Christus, die steeds naderbij komt. Zoals een zwangere vrouw de weken telt totdat zij baren moet, zo tellen wij de weken tot de geboorte van Jezus. Waarom? Omdat het houvast geeft. In de joodse traditie worden de omers (een maat voor gerst) geteld van Pesach tot het Wekenfeest: zeven omers, vijftig dagen. Zo wist men precies wanneer het Wekenfeest begon. Wij tellen de zondagen zodat we zeker weten dat het tijd is om Kerstfeest te vieren.

Houvast hebben we nodig. Vertrouwen is goed, maar zekerheid is beter. Net zoals een kind aftelt voor zijn verjaardag, houden we God aan Zijn belofte.

Een andere Bijbelse figuur, Job, verwoordt dit houvast als volgt:

“Ik weet: mijn redder leeft, (…). Ik zal hem aanschouwen, ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander. Heel mijn binnenste smacht van verlangen.” (Job 19.25-27) En daarom kan Simeon na de geboorte van Jezus dankbaar zeggen: “met eigen ogen heb ik de redding gezien die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken…” (Lucas 2.30-31)

Wij smachten naar het aanschouwen van het wonder, dat deze redder geboren wordt. Hij is er niet onmiddellijk, hij moet nog groeien, net al het licht van Advent. Als het licht ineens op volle sterkte zou branden, zouden we verblind raken en wenden we onze ogen af, en komt van dat “met eigen ogen zien” niets meer terecht. Maar nu het licht al langzaam groeit, terwijl de natuur nog steeds donkerder wordt, groeit ook ons verlangen, en bereiden wij ons voor in de wetenschap dat we het mooiste feest nog tegoed hebben. En dat begint allemaal met één kaarsje dat zijn licht al mag laten schijnen in de duisternis.

Matthijs de Vries