Over de vijgenboom in de wijngaard.

Lucas 13.6-9

Jezus vertelt zijn leerlingen een gelijkenis van een vijgenboom in een wijngaard. Wat doet die vijgenboom daar behalve de grond uit te putten? Hij werpt schaduw over de wijn, drinkt het water op, geeft ook niet eens vijgen.
Je moet haast wel concluderen dat die vijgenboom een treffende gelijkenis met de kerk vertoont. De kerk staat daar in het veld en heeft daar eigenlijk weinig te zoeken. Hij staat alleen maar in de weg.

De eigenaar van de vijgenboom, de gene die hem daar ook geplant had (God) staat al met de bijl gereed om hem om te hakken. Maar dan springt er iemand voor die nutteloze boom in de bres: de wijngaardenier. Hij die het juist eens zou moeten zijn met de eigenaar van de vijgenboom (vijgenbomen en wijngaarden hebben elkaar niets te bieden) neemt het op voor die boom en biedt aan hem van mest en water te voorzien. Hij vindt de vijgenboom, ondanks dat hij geen vrucht draagt, toch de moeite waard. Misschien doet hij het over een jaar wel!
Voor die wijngaardenier zouden we Jezus kunnen invullen. Hij is met zijn leven in de bres gesprongen voor zijn leerlingen, opdat ze een toekomst zouden hebben. Zo zouden we ook de kerk kunnen zien: als een teken van hoop voor een betere toekomst.
Dat er nog kerken staan, en gemeenten leven, diep verworteld en met een lange slagschaduw over de wijngaard, is geen onderdeel van de absurditeit van deze tijd, maar juist het tégendeel daarvan: een teken van hoop en verzet, een bruggenhoofd van humaniteit en geloof dat de mens er mag zijn van God, en dat hij een toekomst heeft.
Dat betekent dat we wel vrucht zullen moeten dragen: genadig zijn zoals de wijngaardenier genadig is. Want dat is het zaad dat door de eigenaar van de boom is gezaaid, en de vrucht waarop hij hoopt.

Matthijs de Vries