Over de vijgenboom in de wijngaard.

Lucas 13.6-9

Jezus vertelt zijn leerlingen een gelijkenis van een vijgenboom in een wijngaard. Wat doet die vijgenboom daar behalve de grond uit te putten? Hij werpt schaduw over de wijn, drinkt het water op, geeft ook niet eens vijgen.
Je moet haast wel concluderen dat die vijgenboom een treffende gelijkenis met de kerk vertoont. De kerk staat daar in het veld en heeft daar eigenlijk weinig te zoeken. Hij staat alleen maar in de weg.

De eigenaar van de vijgenboom, de gene die hem daar ook geplant had (God) staat al met de bijl gereed om hem om te hakken. Maar dan springt er iemand voor die nutteloze boom in de bres: de wijngaardenier. Hij die het juist eens zou moeten zijn met de eigenaar van de vijgenboom (vijgenbomen en wijngaarden hebben elkaar niets te bieden) neemt het op voor die boom en biedt aan hem van mest en water te voorzien. Hij vindt de vijgenboom, ondanks dat hij geen vrucht draagt, toch de moeite waard. Misschien doet hij het over een jaar wel!
Voor die wijngaardenier zouden we Jezus kunnen invullen. Hij is met zijn leven in de bres gesprongen voor zijn leerlingen, opdat ze een toekomst zouden hebben. Zo zouden we ook de kerk kunnen zien: als een teken van hoop voor een betere toekomst.
Dat er nog kerken staan, en gemeenten leven, diep verworteld en met een lange slagschaduw over de wijngaard, is geen onderdeel van de absurditeit van deze tijd, maar juist het tégendeel daarvan: een teken van hoop en verzet, een bruggenhoofd van humaniteit en geloof dat de mens er mag zijn van God, en dat hij een toekomst heeft.
Dat betekent dat we wel vrucht zullen moeten dragen: genadig zijn zoals de wijngaardenier genadig is. Want dat is het zaad dat door de eigenaar van de boom is gezaaid, en de vrucht waarop hij hoopt.

Matthijs de Vries

Lam Gods

Onlangs zag ik Gent de voorstelling Lam Gods van de Zwitsers regisseur Milo Rau, die sinda anderhalf jaar artistiek leider is van het Nationale Toneel Gent. Rau ziet het als zijn missie om het theater opnieuw uit te vinden en stelde tien geboden op, die als regels moeten gaan gelden voor het nieuwe theatermaken. Een van die regels schrijft voor dat het theater dat in de stad wordt gemaakt ook ván de stad moet zijn. Op het toneel moeten de verhalen worden verteld die dicht tegen de actualiteit aanliggen, zo mogelijk gespeeld met mensen uit de stad zelf.

Met de voorstelling Lam Gods probeerde Rau zijn regels voor het eerst toe te passen. Als uitgangspunt voor het verhaal nam hij het altaarstuk van de gebroeders van Eijk, het Lam Gods. Op dit altaarstuk, uit de late Middeleeuwen, figureren de inwoners van Gent als Adam en Eva, aartsvaders, Maria kruisvaarders etc. Rau stelde zich de vraag wie er nu zou worden afgebeeld op het schilderij en nodigde de Gentenaren uit zich in te schrijven voor een rol in het stuk. Voor de rol van kruisvader ging Rau op zoek naar een Jihadstrijder die uit Syrie was teruggekeerd en dat leidde tot grote commotie in de Belgische politiek. Ook zijn voornemen om in elk voorstelling daadwerkelijk een lam te slachten haalde het niet. Uiteindelijk kwam er een toneelstuk tot stand in de vorm van een montage. Op het toneel stond een leeg frame met de afmetingen van het altaarstuk, dat gaandeweg werd ingevuld door spelers die zich kwamen melden bij twee acteurs die hen interviewden. Vervolgens namen zij hun positie in en werden onderdeel van het schilderij.

De methode van Rau geeft mij te denken. En dan vooral zijn uitgangspunt dat het verhaal weliswaar vormgegeven wordt op het toneel, maar in feite al in de stad aanwezig is. Het moet alleen zichtbaar worden gemaakt. Wat zou er gebeuren als je het concept van Rau toepast op de kerk? In de kerk verzamelen we ons rondom de Schrift, we leggen die elke zondag uit, we kennen daar de verhalen. Wil je iets van het evangelie weten dan is de kerk de vindplaats waar dat wordt doorgegeven. Maar als we nu eens anders gaan denken? En er vanuit gaan dat al die Bijbelse verhalen onder ons liggen. Gewoon in de samenleving? En dat het één van de taken van de kerken is om mensen daarvan bewust te maken. En hen aan de hand van het evangelie in feite hun eigen verhaal teruggeven? De kerk heeft nog het oude idee een ‘woord voor de wereld’ te hebben. De kerk weet wat de wereld nog niet weet., we hebben een missionaire opdracht. Maar dat plaatst de kerk ook in een tegenstelling, het is meer een instituut tegenover de samenleving dan een instituut ván de samenleving. In de ogen van Rau was het theater in een zelfde positie terecht gekomen. Het was niet meer van de mensen zelf. De kleine club die het draaiende hield gedroeg zich als elite. Met de voorstelling ‘Lam Gods’, brak hij uit het isolement. Hij gaf het theater aan de stad terug. De Gentenaren kwamen massaal kijken. En verbaasden zich over wie zij waren. Ik kwam het theater uit met een vraag. Zouden we de kerk ook aan de samenleving terug kunnen geven?

Ferdinand Borger

 

En morgen gezond weer op!

Het is gemeten en berekend, bij ruim 9.000 mensen in de Rotterdamse wijk Ommoord waarvan de gezondheid en hun eventuele overlijden vanaf 1989 wordt bijgehouden. We leven zes jaar langer door het gezond te doen!
Ik las het nieuws over dit grote Rotterdamse onderzoek en dacht: maar wat is gezond?

De WHO-definitie
Net na de Tweede Wereldoorlog, in 1948, definieert de Wereldgezondheids-organisatie gezondheid als ‘een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden en niet slechts de afwezigheid van ziekte en andere gebreken.’ De definitie wordt opgesteld door een aantal artsen en psychiaters en wordt breed gedeeld. Ze is lange tijd de meest gehanteerde en van grote betekenis, wereldwijd. Maar 65 jaar later wordt ook de beperking van deze definitie duidelijk.

De toename van het aantal ouderen en het aantal chronisch zieken maakt dat uiteindelijk niemand meer gezond zou zijn als we deze definitie blijven gebruiken. Naar schatting zullen er alleen al in Nederland in 2040 zeven miljoen chronisch zieken zijn!
De huidige definitie heeft een statisch karakter en gaat voorbij aan het vermogen van de mens om zich aan te passen aan omstandigheden, zowel fysiek, sociaal als mentaal. Daarnaast is het besef gegroeid dat ‘een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden’ nogal utopisch is.
Maar hoe definieer je dan gezondheid?

Positieve gezondheid
In 2013 heeft Machteld Huber, arts en onderzoeker, een nieuwe dynamische omschrijving van gezondheid geïntroduceerd, die ook internationaal steeds meer belangstelling krijgt. In haar concept is gezondheid ‘het vermogen van mensen om zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.’
In dit concept van ‘Positieve gezondheid’ is de denkrichting dus anders dan vroeger. Hier wordt niet uitgegaan van de vraag naar aanwezigheid of afwezigheid van ziekte, maar is de vraag: hoe staat deze mens in het leven, hoe ga je om met wat je in het leven overkomt? Mensen kunnen naast hun ziekte in veel andere opzichten gezond functioneren in de samenleving!
Naast deze verandering van denkrichting vind ik zelf van groot belang dat Huber in haar vervolgonderzoek naar de verschillende factoren die belangrijk zijn voor onze gezondheid spiritualiteit een prominente plek geeft.
Goed in je vel zitten is afhankelijk van je lichamelijke en mentale conditie, van je sociale relaties, van de balans tussen werk en vrije tijd, allemaal waar. Maar net zo belangrijk is volgens Huber de spirituele- ofwel existentiële dimensie. Geen goede gezondheid zonder aandacht voor zingeving en levensvragen.
Laat dat nu net datgene zijn wat wij als kerken in huis hebben! Alleen is het wat mij betreft wel de vraag hoe we dat beter over het voetlicht kunnen brengen.

Over die vraag en over positieve gezondheid gaat het op 28 maart a.s. in de Ontmoetingskerk in Valkenswaard. Gastspreker is Chantal Walg, gezondheidswetenschapper en schrijver van het boek ‘Gezond centraal’. Ze werkte samen met Machteld Huber aan een pilot rond positieve gezondheid in Noord Limburg. De avond begint om 20.00 uur. Welkom!

Marie-Jantien Kreeft

“Zoek de vrede en jaag die na”

‘Wyk af van wat verkeerd is, en doen wat goed is; soek die vrede en jaag dit na.’

[Bijbelgenootschap Suid-Afrika]

‘S’écarter du mal, pratiquer le bien et rechercher la paix avec persévérance.’

[La Bible en français courant, Société biblique française]

‘Turn from evil and do good; seek peace and pursue it.’

[New International Version]

 

De Evangelische Broedergemeente heeft voor de 289e keer een boekje met Dagteksten uitgegeven. Je treft er teksten en leesvoorstellen voor elke dag in aan. Of een woord om een maand lang over te peinzen, te mediteren en mee te bidden. En er staat een woord voor boven heel het jaar. Dat is bovenstaande tekst uit Psalm 34:15, ‘Zoek de vrede en jaag die na’.

Ik heb in enkele andere vertalingen het – hele – vers opgezocht en dat hierboven ook geplaatst. Dan lees je eerst nog de aansporing het kwaad uit de weg te gaan en te doen wat goed is. Maar misschien heb je al genoeg aan het halve vers. Het zijn zeven woorden om in 2019 mee aan de slag te gaan en te blijven.

 

Zoek

De

Vrede

En

Jaag

Die

Na

 

Misschien heb je genoeg aan dit halve vers voor heel 2019. Maar ik laat je weten wat een kennis uit Monnickendam op Facebook liet weten. Ze doet mee met de uitdaging van het Bijbelgenootschap om de (hele!) Bijbel in een jaar te lezen. Dat is veel meer dan wat soms misprijzend ‘van kaft tot kaft’ genoemd wordt bij de herinnering aan verplichte stukjes na de maaltijd. De hele Bijbel is een spiritueel boek. Is een zoek-boek, een dwars boek. Een spiegel. En er kunnen nog wel duizend andere namen aan deze bijbel-bibliotheek gegeven worden.

De jaartekst, ‘zoek de vrede en jaag die na’, is een aansporing voor mij persoonlijk, maar ik geef ‘m ook graag aan de wereldleiders. Wat me opvalt – ook door verschillende vertalingen te lezen – is het najagen van de vrede, de volharding –‘persévérance’– die gevraagd wordt. Een van de bijbelvertalingen geeft ook handige verwijzingen. De schrijvers van de Romeinenbrief en van de brief aan de Hebreeën waren wellicht vertrouwd met de Psalmen en geven het woord door als volgt:

‘Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven;
wie dat niet doet zal de Heer niet zien’ [Hebr. 12:14].

‘Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert
en naar wat opbouwend is voor elkaar’ [Rom. 14:19].

Ik wens u, jou als (bijbel)lezer vrede en alle goeds voor dit jaar. Dat er in het klein en in het groot bruggen geslagen worden, vanuit vrede die gevonden is en tot vermeerdering van vrede, wereldwijd.

ds. Wim Dekker

 

Ontregelend

Vlak voordat ik in slaap val hoor ik net na twaalven het begin van een aflevering van Nooit meer slapen op NPORadio1. Te gast is Tosca Nifterik, nu vooral schrijfster, maar in de jaren negentig bekend als de vrouwelijke helft van Theo en Thea, de populaire kinderserie van de VPRO. In vogelvlucht wordt er bij de eerste vragen haar biografie doorgenomen. Je bent ook misdienaar geweest hè, Tosca.  ‘Misdienette’, verbetert Tosca, zo heette dat toen. Maar nu geloof je niet meer toch? De vraag wordt wat lacherig gesteld. Jawel, zegt Tosca, ik geloof nog steeds. Er valt een kleine stilte, ik hoor de presentatrice aarzelen of ze hierop moet doorvragen. Ik ben voor mijzelf een soort van strenggelovige, op mijn manier, vervolgt Tosca. Ik kan me niet voorstellen dat alles wat er is, de hele wereld, door toeval zou zijn ontstaan.

Een paar weken geleden was de zangeres Anouk te gast bij DWDD om haar nieuwe plaat te promoten, liedjes vol met liefdes en verlangen. Waarom heb je het in één van je nummers over ‘u’ in plaats van ‘jij’, vroeg Matthijs van Nieuwkerk. Over wie heb je het daar? Er kwam een aarzelend antwoord. Die ‘u’ is iets dat veel groter is dan ik, daar richt ik me dan op, sommige mensen noemen dat God, verklaarde Anouk. Mag ik daar verder over doorvragen?, vroeg  Matthijs. Nee, zei ze, dat kan ik niet. Daarop viel ze stil. Ze kreeg tranen in haar ogen en keek even weg. Een ontregelende en ontroerende stilte.

De belijdenis ‘ik geloof’ of ‘ik geloof in God’ is een ongemakkelijke zin in een seculier debat. Kennis van geloof en christendom zijn dermate op de achtergrond geraakt dat menig presentator voelt dat er achter de vraag vooral glad ijs ligt dat je beter maar niet kan betreden. Een persoonlijke overtuiging hoort bij jezelf te blijven. Maar wat als de overtuiging de woorden geeft aan de taal van jouw liedjes? Wat als die overtuiging de bron blijkt van jouw creativiteit of innovatie waarmee je aan de dag treedt als mens? Religie kan alleen uit het publieke domein worden verdreven als je mensen verbiedt publieke mensen te zijn. En dat laatste zijn wij allen, zolang we in vrijheid leven tenminste.

De journaliste Yvonne Zonderop schreef onlangs het boekje ‘Ongelooflijk, over de verrassende comeback van religie’. Ooit katholiek opgevoed zwoer zij het geloof af, zoals zoveel babyboomers. Geloof was onderdeel van de instituten die konden verdwijnen. In haar boek maakt zij nu de balans op. Ze constateert dat er velen op zoek zijn naar zingeving en levensdoel. En dat het geloof dat we aan de kant hebben gezet daar volop in kan voorzien. Het biedt troost, zin en rituelen. En ook nog eens een gemeenschap die daar voor wil staan. Religie is hip aan het worden, stelt ze.

De vraag is nu of nieuwe zinzoekers hun weg naar de kerk weten te vinden. Opvallend in het verhaal van Zonderop is dat zij frank en vrij getuigt van de schat van de christelijke traditie, terwijl wij binnen de kerk die slechts nog aarzelend kunnen verwoorden. We kunnen vaak beter aangeven wat we niet meer geloven dan wat we wel geloven, gevangen in het seculiere frame dat enigszins lacherig van ons vraagt ons geloof in God te ontkennen. Je gelooft toch niet meer in God? Waarop dan een verontschuldigend, meegaand antwoord komt… Euh, ja eh, nee,  ik geloof niet dat God almachtig is, en het kwaad wil en nee,  God is geen man met een baard die op een wolk zit, mocht je dat nog denken, en natuurlijk al helemaal geen witte man, en ja hoor homo’s mogen best trouwen en van mij ook nog eens gezegend worden als in een huwelijk etc. etc. etc. Zo passen wij netjes binnen de verwachtingen die over ons worden uitgesproken. We geloven wel, maar zijn geen gekke Henkies, we zijn moderne mensen. Misschien gewoon eens proberen onze woorden opnieuw te rangschikken? Ik geloof in God omdat Hij/Zij de bron van alle verwondering is? En ik geloof in een gemeenschap van mensen omdat ik als mens niet alleen ben? Of misschien toch maar minder woorden er aan geven? Ja, ik geloof in God. Daar kan ik niet zoveel over zeggen. God overstijgt alle taal.  Het is een beetje als met liefde en houden van, daar weet ik ook niet zoveel van te zeggen. Het is er. Dan zal het gesprek stil vallen en wordt aarzeling ons deel. Zoals het bestaan van Abraham ooit opgebroken werd. En van Mozes. En van Ruth. En van de discipelen etc. etc. Elke Godsopenbaring sticht in eerste instantie verwarring. We blijken dan ineens deel te zijn van een mooi en eeuwenoud gezelschap: het genootschap van de ontregelde mensen.

Ds. Ferdinand Borger