Jezus zei het al: kom uit je bubbel!

Dit voorjaar verdiepte publicist en NRC columnist Bas Heine zich in de Bergrede uit het evangelie van Mattheus. Hij hield er zijn eigen Bergrede over in de Bergkerk in Amersfoort en er kwam een beknopte versie van in de krant. Wat hij daar zei trof me en ik wil er graag iets van met u delen.

En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijke bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Mattheus 5: 46-47

Voordat hij ingaat op de tekst van Mattheus beschrijft Heine hoe hij in zijn jeugd heilig geloofde dat het ideaal van gelijkheid en broederschap meer en meer terrein zou winnen in de samenleving en hoe hij, terugkijkend, moet constateren dat we daar anno 2018 verder van verwijderd lijken dan ooit!
Net als ik groeide hij op in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. In die tijd was de sociaal democratie een factor van betekenis, veroverde het feminisme terrein en vervaagden grenzen tussen landen onder invloed van de groeiende globalisering. Maar het proces van globalisering bracht mensen weliswaar met elkaar in contact, het heeft mensen tegelijk ook ontheemd gemaakt. Het heeft oude, traditioneel geordende gemeenschappen zelfs voorgoed veranderd. En dat keerde zich tegen het ideaal van een gedeelde, gelijk geschakelde menselijkheid.
Van de droom uit de vorige eeuw is vandaag de dag niet veel meer over, zo lijkt het. En steeds vaker worden individuele verlangens en belangen vereenzelvigd met die van het collectief, van de groep.
De gedachte dat we de tijd van verzuiling achter ons hadden gelaten blijkt een misvatting. De eigen groep, de gemeenschap, het geloof, de natie, de identiteit, daar gaat het om, dat wordt vandaag de dag benadrukt. Nieuwe identiteitspolitiek is niet gericht op de gelijkheid van mensen, maar juist op de onoverbrugbare verschillen.
Het lijkt misschien alsof iedereen dialoog wil, begrip, verbinding, maar o wee als iemand er echt werk van maakt! Vredestichters, verzoeners, wie het waagt met een witte vlag de oversteek naar het andere kamp te maken, krijgt het van twee kanten hard te verduren. De vredestichter breekt namelijk met de kringloop van achterdocht, woede en geweld en juist dat wordt hem of haar door alle partijen niet in dank afgenomen. Want afkeer en haat voelen is ook comfortabel, het geeft houvast en zekerheid. Zie hier onze huidige maatschappelijke en politieke werkelijkheid. We leven in onze eigen bubbel en nemen nauwelijks de moeite om de oversteek te maken naar de ander.

Toch, en dan komt Heine bij de tekst van Mattheus, toch is het precies dat waartoe Jezus oproept in het eerste deel van de Bergrede. Verlies jezelf, breek je ego af en neem wél de moeite om de oversteek te maken naar de ander. Want alleen zo, juist in verbinding met de ander, met begrip voor de ander, ben je werkelijk mens. Alle dingen die een mens van nature het liefst zou vermijden, zoals uit je comfortzone treden, jezelf in die zin geweld aan doen, je werkelijk verdiepen in de ander, kwetsbaar durven zijn, dat alles wordt hier als juist essentieel voor ons mens-zijn gepresenteerd.
Dat waar je instinctief voor terugschrikt moet je juist opzoeken, zo houdt Jezus ons voor. Eigenschappen die maatschappelijk als zwak, pijnlijk of suffig worden gezien: bescheidenheid, nederigheid, gebrek aan geldingsdrang, worden in de Bergrede van Jezus positief gewaardeerd, en dat is radicaal anders dan in onze huidige samenleving.
Heine verbaast zich over die radicaliteit en actualiteit van deze Bijbelse boodschap. En het is mooi te lezen hoe een niet gelovige als hij aangesproken wordt door het evangelie. Maar hij benoemt meteen ook het gevaar dat op de loer ligt bij dergelijke radicale boodschappen. En daar ligt voor mij de crux van zijn betoog, zeker met oog op ons kerk-zijn. Het gevaar van de radicaliteit van radicale boodschappen zoals we die vinden in het evangelie, is volgens Heine dat ze, ondanks hun radicale inhoud, zo gauw ingekapseld en zoetsappig worden. Het is zo gemakkelijk om dat waartoe Jezus hier oproept met de mond te belijden, zonder dat dat impact heeft op ons gedrag. Want ja, eerlijk gezegd is het eigenlijk gewoon teveel gevraagd, mijn ego laat zich niet zomaar afbreken!
En wat er dan gebeurt is dat we de Bergrede vervolgens omarmen als blije, menslievende boodschap in de zin van: wees goed voor je naaste, de arme, de zwerver, de immigrant, kortom de ander. We zijn immers allemaal mensen en in wezen gelijk, en als we die ander maar lang genoeg diep in de ogen kijken zullen we dat vanzelf gaan inzien….
Nee! De ander is wezenlijk anders dan jij! En je echt in de ander verdiepen kost inspanning, moeite, doet pijn. Uit je eigen comfort zone stappen gaat bepaald niet vanzelf.
De Bergrede is niet alleen maar een aanbeveling van goed leven, of zelfs een ethische opdracht die ergens in een andere wereld zal worden beloond met eeuwige zaligheid, nee, het is een aansporing om wezenlijk anders te leven dat je van nature geneigd bent.
De oude Sokrates zei dat het leven dat niet onderzocht is, niet waard is om geleefd te worden.
Jezus lijkt te zeggen dat een mens die het zichzelf niet moeilijk maakt, die niet tegen zijn eigen aandriften durft in te gaan, geen waardevol leven leidt.
In tegendraadse betrokkenheid zelf ligt de betekenis van het mens-zijn. Een mens is nooit meer mens dan wanneer hij zichzelf geweld aandoet, wanneer hij tegen zijn eigen instincten van veiligheid en zelfbehoud in handelt, wanneer hij zijn egocentrische streven naar eigenwaarde en roem eigenhandig onderuithaalt, wanneer hij zijn vijand tegemoet loopt en zich engageert met wat hij haat. Het vreemde is geen bedreiging maar noodzaak. Alles wat mij vreemd is, is gewenst. Help! Hoe radicaal wil je het hebben?

En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijke bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Mattheus 5: 46-47

Er is niets comfortabels aan deze woorden. Ze klinken als een smalende aanklacht tegen de mens die het zichzelf in alle opzichten gemakkelijk wil maken, die zich koestert in zijn gevoelde verwantschap met gelijkgestemden, en in zijn permanent gedeelde verontwaardiging over de ander. Jezus richt zich tegen mensen die gerieflijk in hun bubbel zitten, tot dezelfde sociale laag behoren, mensen die dezelfde mening hebben als wij, mensen die het bij voorbaat met elkaar eens zijn, mensen die elkaar aan één stuk door bevestigen in wat ze toch al vinden.
Die honende aansporing van Jezus is van alle tijden, maar ze lijkt bij uitstek op onze tijd gericht, tegen ons, nu. Zoveel in onze samenleving is erop gericht het ons gemakkelijk te maken en hier maant een stem van ruim tweeduizend jaar geleden ons om precies het tegenovergestelde te doen, niet uit recalcitrantie, niet om onszelf een goed gevoel te geven, niet om beloond te worden in een vaag hiernamaals. Hier is een stem die zegt dat als wij het onszelf niet moeilijk maken, het ons flink moeilijk gemaakt zal worden. Wanneer je je niet inspant om je daadwerkelijk in anderen te verplaatsen, je niet in gedachtewerelden probeert in te leven die niet de jouwe zijn, zal je zelf, zegt Jezus, minder mens zijn. Je eigen leven zal dan even comfortabel als nietszeggend zijn.
Die boodschap is in geen enkele tijd geruststellend. Nu is hij even radicaal als noodzakelijk, aldus Heine.
Wat mij betreft geldt dit niet alleen voor onze samenleving, maar zeker ook voor de kerk.

Marie-Jantien Kreeft

“Een goed gesprek”

Als ik op dreef ben kun je met mij een heel gesprek hebben over hardlopen en over de mooie routes door de Kempen. Ook over mijn favoriete voetbalclub uit de hoofdstad deel ik graag mijn inzichten met je. Vaak het mooiste voetbal, maar soms ook zo naïef en eerlijk is eerlijk: soms lijden ze aan zelfoverschatting. Je hoort het al: de club die mijn liefde heeft gewonnen, spaar ik niet!

Kun je als ik op dreef ben met mij ook een goed gesprek hebben over het geloof. Dat zou je toch wel verwachten van een dominee, maar ik aarzel om dat zo makkelijk te zeggen. Praten over het geloof, over mijn vertrouwen in/op God -, de schrijfwijze van de godsnaam mag ook zijn: g’d. Om meer ruimte te laten voor het verborgene en voor de eerbied. Praten over het geloof, een goed geloofsgesprek, is nog niet zo eenvoudig.

Het jaarthema van de Protestantse Kerk in Nederland is ‘een goed gesprek’. En van uitgeverij Ekklesia is begin september een praktisch boekje verschenen om te helpen. Want een goed gesprek, dat zouden we vaker moeten doen.

René de Reuver, scriba van de landelijke kerk, heeft een aanbeveling bij dit boekje geschreven. Daarin wijst hij erop hoe we allemaal hebben moeten leren spreken. Van het eerste gebrabbel van de baby en de aanmoediging van moeder en vader op weg naar de eerste woordjes. En over de noodzaak van voorzeggers en van het kunnen leren luisteren.
Het boekje opent met het verlangen naar een goed gesprek waarin er een wisselwerking is tussen luisteren en spreken. Soms zo mooi gezegd als ‘de ander tevoorschijn luisteren’. En dus ook de ruimte vinden om ‘jezelf tevoorschijn te spreken’. Dan gaat het er niet om de taal te gebruiken van de reclame of die van de overredingstechniek. Ook niet om de taal die informatie uit. In een goed gesprek ademt de ziel op en is er ruimte voor ‘de taal van de relatie’. Dan stamel je misschien, zwijg je soms en kom je samen tot de conclusie dat je een goed gesprek hebt gehad.

Ds. Wim Dekker

 

Het boek ‘Een goed gesprek’ telt 92 pagina’s en kost € 7,95 en is te verkrijgen via www.ekklesia.nl of Eengoedgesprek@ekklesia.nl. Vanaf zes exemplaren betaal je geen portokosten (€ 1,95).

Niet alleen

Het hoofd zat vol woorden. Langzamerhand waren ze binnengeslopen door het schrijven aan een boek. Ze hadden hun plek veroverd en leken niet meer weg te willen. Ik moest afstand van ze gaan nemen, ze dwingen het pand te verlaten en ze een plaats geven, ergens buiten.
Ik besloot van Vlissingen naar Parijs te fietsen. Een fysieke inspanning zou wonderen doen. Dat klopte. De natuur hielp mee. Op het vlakke West-Vlaamse land stak de wind op. De zon verdween, de wolken werden grijzer en zwaarder. Het grauwe IJzermomument bij Diksmuide prikte de wolken kapot. Drie dagen lang werden de hemelsluizen open gezet. Ze maakten het land nog troostelozer. En ik, ik fietste door en beulde me af op de trappers met een heilig moeten: Ik wilde naar Frankrijk, altijd een land van thuiskomen sinds ik er ooit heb gewoond. Ik wilde terug naar thuis. Maar ook het Franse land wilde mij niet zo maar omarmen. In de grensplaats Saint-Omer oogde het leven ruw. Ik schrok van het verval en de leegstand en van de zichtbare armoede van de bevolking. Ik stapte een café binnen en las een krant. Op zondag zou de zon gaan schijnen. Dat gaf hoop. Als alles meezat, zou ik aan de kust zijn dan. Ik dacht mijzelf al met een boek aan zee.

Het zat mee. Op zaterdag vond ik een camping niet ver van de zee. Op zondagochtend brak de zon door. Met boek en zwembroek haastte ik me op de fiets naar het strand. Op een kruispunt stonden een man en vrouw langs de kant van de weg. Ze hadden fietsen met platte banden. De man riep naar mij. ‘Die wil ik’ en hij wees op mijn fiets. Ik lachte, zei dat ik mijn fiets zeker tot aan Parijs nodig had en deze niet zomaar kon afstaan. De man hield vol. Ik stapte af. Hij bleek mijn pomp te willen lenen. Ik knielde naast zijn fiets, bekeek de band en zag dat het ventiel niet paste. ‘Je suis desolé’, zei ik, ‘het spijt me, ik kan u niet helpen.’ De vrouw keek mij aan en zei: ‘Weet u waar dat woord vandaan komt, desolé? Dat komt van seul: alleen, eigenlijk zegt u dat u alleen  bent nu’. ‘Ik ken de betekenis’, zei ik, ‘ik heb ooit in Frankrijk gewoond voor een stage. Op de dag van aankomst liet een vrouw mijn nogal wanordelijke onderkomen zien en riep luidkeels ‘je suis desolée! Ik kende het woord niet en probeerde de betekenis te herleiden. Zou desolé misschien van desolaat komen? Verlaten? Bedoelde de vrouw dat ze alleen was? Zou haar man bij haar weg zijn? Moest ik wat doen? Ik voelde me verlegen en onthand. Later begreep ik dat ze zich had verontschuldigd voor het  smerige appartement.”

De vrouw keek mij aan. ‘U houdt van communiceren’, zei ze, ‘dat zie ik aan u’. ‘Dat hoort bij mijn beroep’, zei ik. ‘Nee’, zei ze, ‘het is meer dan dat, u wilt wat vertellen, dat ziet u als uw taak, als een noodzaak’.

Toen volgde er een gesprek waarvan ik de inhoud niet meer weet. Dat komt omdat ik het gevoel had dat de vrouw mij kende en dingen van mij wist die ze niet kon weten. Het leek alsof ze zomaar antwoord gaf op vragen die met mij meereisden. Vragen die ik me bij de striemende regen en tegenwind had gesteld. Vragen of ik wel de goede keuzes maak nu ik ouder word en de tijd schaarser. En of het wel zinvol is je om je leven te willen wijden aan kerk, media of kunst. Al die vragen kende zij niet. Het gesprek overrompelde, ontroerde en duurde niet langer dan tien minuten.

‘Weet u’, zei de vrouw, ‘volgens de Franse etiquette moeten wij nu ook onze spijt betuigen dat u niet kon helpen. ‘Nous sommes desolés aussi’. ‘Dat is niet waar’, zei ik, ‘het kan niet zo zijn dat wij door dit gesprek alle drie meer alleen zijn geworden. Integendeel zou ik zeggen’. ‘U heeft gelijk’, zei de vrouw, ‘dit was een bijzondere ontmoeting’. ‘Dat vond ik ook’, zei ik. We namen afscheid en wensten elkaar een mooi leven toe. ‘Que Dieu vous bénisse.’

Op het strand las ik mijn boek en de dagen daarop fietste ik naar Parijs. In de zon. Met het gevoel gekend te zijn door een onbekende. En helemaal niet meer: alleen.

Ferdinand Borger

Professor, bestaat God?

De Rijksuniversiteit Groningen ontving een brief van de zevenjarige Anco, met de vraag: “Bestaat God – kan de universiteit dat uitzoeken?” Deze brief kwam terecht op het bureau van de sterrenkundige Peter Barthel. Hij beantwoordde Anco’s vraag en bewerkte zijn antwoord in een lezing, die later werd gepubliceerd in Trouw.
Het antwoord van Barthel komt in het kort hierop neer dat het godsbeeld van een persoonlijke God die een Naam heeft en die zich bezighoudt met u en mij, zijn langste tijd gehad heeft. In plaats daarvan ziet hij God meer als een bezielende Geest, die ons ertoe oproept het goede te doen: onze naaste lief te hebben als ons zelf.
Wat mij aansprak was een schemaatje waarmee werd duidelijk gemaakt dat een mens via drie verschillende lijnen in contact staat met het mysterie dat ons omgeeft: de kosmos. Als we naar de sterren kijken, denken we wel eens bij ons zelf: “wat zijn we toch eigenlijk een klein stofje in een onmetelijk groot heelal.” Een gevoel van verwondering. Het roept ook de vraag op naar de zin van dit alles. Op allerlei manieren gaat de mens om met deze vraag naar de zin van het bestaan. Je kunt denken aan de filosofie, de (exacte) wetenschap, de kunst (schoonheid en orde), en het geloof.
Maar wat is geloof als God een naamloze geest wordt en Jezus slechts een belangrijke historische figuur? Kan de Geest los gemaakt worden van Vader en Zoon? Wat is het nut van bidden als God niet luistert? Barthel zegt wel ergens dat we de handen en voeten van God moeten zijn, maar wat heeft dat voor zin als er geen hoofd meer is?
Een andere manier om over God te praten is vanuit de ervaring. Het gevoel van “Ik heb gemerkt dat God iets wil met mijn leven. Daarmee wordt het wel een subjectief verhaal, terwijl de zevenjarige Anco eigenlijk zocht naar een wetenschappelijk bewijs van God, dat helaas door professor Barthel niet geleverd kon worden. Dus is eigen ervaring waar we het mee moeten doen.
Veel mensen geloven in deze tijd zoals Peter Barthel doet. Velen zullen zich ook herkennen in de morele oproep: geloven is een werkwoord, belijden-is-doen. Daden gaan woorden te boven. Dat geldt voor onze daden, maar ook voor Gods daden. Aan ons de taak om die genade en liefde te laten zien, zodat voor zo veel mogelijk mensen die ervaring van God als een liefdevolle vader of als een goede herder, werkelijkheid wordt in hun leven.
Of vrij naar een Amerikaanse gospel: laat Christus door ons herkenbaar zijn, aan onze liefde.

Matthijs de Vries

 

Een ‘nieuw wij’

Kaj Pollak maakte de schitterende film ‘As it is in heaven’, misschien kent u hem. In een van de laatste shots van de film zien we een groep mensen op een podium staan in een grote zaal met publiek. Ze zijn van ver gekomen om mee te doen aan deze korencompetitie.
Het is stil …. ze wachten …. ze wachten op diegene die hen het laatste jaar tot een ‘nieuw wij’ heeft gemaakt. Hijzelf, ooit een beroemd dirigent, had niets meer te verliezen gehad en was teruggekeerd naar het dorp op het Zweedse platteland waar hij was opgegroeid.
Daar had hij hen eerst weer leren ademen. Gewoon, in en uit, in en uit …. hij had ze leren voelen, allemaal liggend op de grond met het hoofd op de buik van een ander …. goed, niet iedereen kon dat meteen waarderen, maar het werkte!
Ze waren niet alleen gaan ademen, en voelen, maar er werd ook weer gelachen.
En het was weer vol in de kerk op zondag! Ondanks de verkrampte plaatselijke dominee met z’n rigide Godsbeeld, z’n machtsstreven en al zijn frustraties.
En één voor één had hij hen stem gegeven.
De grote vent met het verstand van een kind,
Olga, het mooie meisje uit de supermarkt,
de vrouw van de dominee,
zelfs Gabriella, waarvan iedereen wist dat haar man haar mishandelde en waaraan niemand iets deed ….
Eén voor één had hij hen stem gegeven en nu zouden ze deze competitie zeker gaan winnen.
Ze staan daar, ze wachten … terwijl ergens anders op dat moment de dirigent z’n laatste adem uitblaast. Hij zal niet komen …
En dan..
De grote jongen met het verstand van een kind zet in. Hij begint te zingen, één toon, een lange toon, zonder woorden…en dan klinkt er nog een toon en nog een en nog een. Allemaal verschillende tonen onder, boven en door elkaar en als de hele groep op het podium stralend staat te zingen valt de zaal in. En rij voor rij staan mensen op om in te stemmen met dit prachtige lied zonder woorden en daarmee eindigt dan de film.

Ik dacht: is dit niet waar het om gaat?
Dankzij een mens die niets meer te verliezen had, Jezus van Nazareth, ontstaat een nieuw wij? Een veelkleurig, veelstemmig ‘nieuw wij’?
Wat deed Hij anders dan tegen de gevestigde religie in, met al haar krampachtigheid, machtsstreven en frustraties mensen, vrouwen en mannen, opnieuw leren ademen.
In en uit …. Gods adem in en uit ….
Wat deed Jezus anders dan mensen opnieuw leren voelen! leren leven! Ja, en weer leren lachen, dat ook!
‘As it is in heaven’ …. Hij is inderdaad de afwezige dirigent, het lege graf, het lege midden …. waar het geheim het geheim blijft, maar waaromheen mensen een nieuw wij vormen. Mensen die opstaan, zich durven laten horen, samen in alle verscheidenheid op hun beurt anderen weer laten ademen, voelen, leven en lachen . En dan hoop ik zo dat wij die mensen willen zijn.

Marie-Jantien Kreeft