Te veel geloof

Het is begin augustus wanneer ik dit schrijf en de natuur kleurt al naar de herfst. De afgelopen week geselde een recordhitte ons land, het warmterecord van Warnsveld sneuvelde net voordat het vijfenzeventig jarig bestaan ervan zou worden gevierd. Het wordt warmer in het land, het is te zien aan de tuinen, aan de opgedroogde vennen in de Kempen én aan de statistieken die het journaal herhaaldelijk halen. Het doet de angstige vraag rijzen of het tij van de opwarming nog te keren is.
Nu is er in de discussie rondom het klimaat iets merkwaardigs aan de hand. Cijfers en feiten spreken voor zich zou je zeggen, maar niets is minder waar: de rechtse en nationalistische politiek die zich momenteel in een warme belangstelling kan verheugen heeft de klimaatdiscussie tot religie verheven. En dat vanwege het simpele feit dat een zeer klein deel van de wetenschappers ontkent dat er een relatie bestaat tussen het menselijk handelen en de opwarming van de aarde. ‘Zie je wel’, tettert het nieuwe rechts, wanneer er geen sprake is van een oorzakelijk verband spreken we van een geloof of religie. Met de hele klimaatdiscussie is er zo een nieuwe religie geboren.
Zorgwekkend in dit verband is dat ook de SGP gevoelig is voor deze visie. Vanuit hun geloofsopvatting komt de klimaatreligie tegenover het christelijk geloof te staan en dient dienaangaande bestreden te worden.
Zo wordt er constant nieuwe religie geboren. Nieuw geloof dat zich loszingt van de feiten, waarbij de nieuwe gelovigen zich bedienen van stevige taal. Trump is momenteel één van hun voormannen, gevolgd door andere populistische leiders. Hun handelsmerk is grof taalgebruik en beledigingen, hun doel is trots en nationalistische eensgezindheid. Het land van de feiten hebben zij achtergelaten, het komt ook niet meer op de feiten aan. Het enige dat telt is dat het verhaal – waarin het eigen land beter en uitmuntender wordt geacht dan de rest van de wereld – geloofd wordt en dan wel door zoveel mogelijk mensen. Hun nieuwe liturgie is de gezamenlijke schreeuw.
Maar ook elders is veel geloof te vinden. Een recente VPRO televisieserie over ruimtevaart ronkte vrij kritiekloos over alle mogelijkheden die ons mensen te wachten staat. We gaan de ruimte in, bouwen kolonies op Mars en gaan opnieuw naar de maan, nu om deze te exploiteren. Maar wie wil er naar Mars? Er is een grenzeloos vertrouwen in de techniek en het heil dat we daar van kunnen verwachten. De minister van verkeer reageerde op het stijgende aantal verkeersslachtoffers met de mededeling dat het veiliger wordt, wanneer wij binnenkort geheel automatisch zullen rijden als wij het stuur uit handen hebben gegeven. Dat er misschien meer gehandhaafd moet worden wijst zij als mogelijkheid van de hand. Dat is ook te duur en alles is geld. De techniek zal ons redden!
Wie bevrijdt ons van zoveel geloof? En wat kan daarvoor in de plaats komen? In een aflevering van Tegenlicht pleitte de voormalige milieu-activist en schrijver Paul Kingsnorth voor een spirituele revolutie. Hij hekelt veel van de duurzame energie-oplossingen als windenergie, zonnepanelen en het aanplanten van bossen om het CO2 gebruik te reduceren. Want, stelt hij, in al die oplossingen zit nog steeds een exploitatie van de natuur, het gebruik ervan staat nog steeds in dienst van onze niets-aflatende hebzucht. De spirituele revolutie die hij voorstaat behelst dat wij de natuur in zijn/haar eigen waarde gaan zien, bezield, misschien wel begeesterd, zoals onze voorouders vroeger in geesten geloofden. Het staat ons als mens niet vrij deze rücksichtlos naar onze hand te zetten.
Ik vond het pleidooi van Kingsnorth verrassend. Het wijst de mens zijn grens. Of we die vrijwillig in acht willen nemen is de vraag. Het dominante geloof waaraan we onszelf onderwerpen is nog steeds groei, groei, groei, ook al weten we dat deze niet onbegrensd is. De vraag is wat wij als kerken aan een spirituele revolutie zouden kunnen bijdragen. Minder gaan geloven en de feiten onder ogen zien. En daarbij dan een psalm zingen. Lekker ouderwets:

De aarde en haar volheid zijn
des Heren koninklijk domein,
de wereld en die daarin wonen.
Het land rijst uit de oceaan,
rivieren breken zich ruim baan
om Gods volmaakte macht te tonen.

Zoiets denk ik. Daar worden we nederig van. Hetgeen niet verward dient te worden met: machteloos.

Ds. Ferdinand Borger

Heilig vuur

Van het heelal weten we nog maar weinig. Misschien is er hooguit vijf procent bekend. ‘Donkere materie’ en ‘donkere energie’ zijn vooralsnog een groot raadsel voor natuurkundigen, ondanks de recent verschenen spectaculaire foto van een ‘zwart gat’.  En je kunt je afvragen: waarom neemt men aan dat ze bestaan?

Dat is vooral vanwege hun uitwerking.

Iets dergelijks zou je kunnen zeggen over het geloof.

Gelovige mensen weten ook niet veel. Van de heilige Geest weten ze nauwelijks iets, zij blijft een grote onbekende. Toch nemen gelovigen haar bestaan aan. Waarom? Vanwege haar uitwerking.

Ik zou die onbekende ‘heilige Geest’ geen ‘donkere energie’ willen noemen, maar liever ‘lichte energie’, want haar uitwerking ervaren mensen als licht, als Gods stille aanwezigheid, ‘de schaduw aan je rechterhand’, zoals psalm 121 het mooi zegt. Als de uitwerking van de Geest wat steviger wordt ervaren spreken we van inspiratie of, nog steviger, van heilig vuur.

Heilig vuur kan zichtbaar worden als mensen hun rug recht houden, als ze niet bezwijken onder druk, als ze opkomen voor wie en wat ze dierbaar is, als ze zich verzetten tegen onrecht.

De Syrische arts Sara Harout werkte aanvankelijk in een ziekenhuis in Damascus, maar bekeerde zich tot het christendom en koos ervoor haar leven aan God te wijden. Ze geeft nu, als non, leiding aan een school in Libanon, vlak bij de Syrische grens waar zestig Syrische vluchtelingenkinderen onderdak krijgen en  samen met Libanese kinderen, christenen en moslims, naar school gaan. Wat ze doet is bepaald niet zonder gevaar. Waarom doe je zoiets? Een kwestie van dwaasheid? Of van heilig vuur?

De lichte energie heeft in de christelijke traditie haar eigen feest gekregen: Pinksteren.

Pinksteren gaat over een oerkracht. Die zit overal: in het voorjaar, in het leven, in de schepping, in de ziel. Een oerkracht is wild, onbestemd, raadselachtig, maar vooral: leven gevend.

Daarom is voor mij de Heilige Geest het vrouwelijke element van God. Zoals zo prachtig verwoord in lied 701 uit het liedboek:

Zij zit als een vogel, broedend op het water,

onder haar de chaos van de eerste dag;

zij zucht en zij zingt, moeder van de schepping,

wachtend op het woord totdat zij baren mag.

 

Zij zweeft boven zee, zweeft boven de bergen,

zoekend naar een plaats onder de hemelboog;

zij rust in de schoot, wachtend op het wonder

dat zich daar ontvouwt, verborgen voor ons oog.

 

Zij danst in het vuur, schouwspel zonder weerga,

maakt de tongen los, taal en getuigenis,

bekeert, inspireert al wie naar haar luistert;

niets brengt haar tot zwijgen, vurig als zij is.

 

Want zij is de Geest, een met God in wezen,

gift van de Verlosser aan zijn aardse bruid;

de sleutel is zij, toegang tot de schriften,

vogel uit de hemel, witte vredesduif.

Ik hoop dat het eerste Kempenbrede Pinksterfestival ons lichte energie, inspiratie en heilig vuur zal brengen!

Marie-Jantien Kreeft

 

Heilig vuur

Van het heelal weten we nog maar weinig. Misschien is er hooguit vijf procent bekend. ‘Donkere materie’ en ‘donkere energie’ zijn vooralsnog een groot raadsel voor natuurkundigen, ondanks de recent verschenen spectaculaire foto van een ‘zwart gat’.  En je kunt je afvragen: waarom neemt men aan dat ze bestaan?
Dat is vooral vanwege hun uitwerking.
Iets dergelijks zou je kunnen zeggen over het geloof.
Gelovige mensen weten ook niet veel. Van de heilige Geest weten ze nauwelijks iets, zij blijft een grote onbekende. Toch nemen gelovigen haar bestaan aan. Waarom? Vanwege haar uitwerking.
Ik zou die onbekende ‘heilige Geest’ geen ‘donkere energie’ willen noemen, maar liever ‘lichte energie’, want haar uitwerking ervaren mensen als licht, als Gods stille aanwezigheid, ‘de schaduw aan je rechterhand’, zoals psalm 121 het mooi zegt. Als de uitwerking van de Geest wat steviger wordt ervaren spreken we van inspiratie of, nog steviger, van heilig vuur.
Heilig vuur kan zichtbaar worden als mensen hun rug recht houden, als ze niet bezwijken onder druk, als ze opkomen voor wie en wat ze dierbaar is, als ze zich verzetten tegen onrecht.
De Syrische arts Sara Harout werkte aanvankelijk in een ziekenhuis in Damascus, maar bekeerde zich tot het christendom en koos ervoor haar leven aan God te wijden. Ze geeft nu, als non, leiding aan een school in Libanon, vlak bij de Syrische grens waar zestig Syrische vluchtelingenkinderen onderdak krijgen en  samen met Libanese kinderen, christenen en moslims, naar school gaan. Wat ze doet is bepaald niet zonder gevaar. Waarom doe je zoiets? Een kwestie van dwaasheid? Of van heilig vuur?

De lichte energie heeft in de christelijke traditie haar eigen feest gekregen: Pinksteren.
Pinksteren gaat over een oerkracht. Die zit overal: in het voorjaar, in het leven, in de schepping, in de ziel. Een oerkracht is wild, onbestemd, raadselachtig, maar vooral: leven gevend.
Daarom is voor mij de Heilige Geest het vrouwelijke element van God. Zoals zo prachtig verwoord in lied 701 uit het liedboek:

Zij zit als een vogel, broedend op het water,
onder haar de chaos van de eerste dag;
zij zucht en zij zingt, moeder van de schepping,
wachtend op het woord totdat zij baren mag.

Zij zweeft boven zee, zweeft boven de bergen,
zoekend naar een plaats onder de hemelboog;
zij rust in de schoot, wachtend op het wonder
dat zich daar ontvouwt, verborgen voor ons oog.

Zij danst in het vuur, schouwspel zonder weerga,
maakt de tongen los, taal en getuigenis,
bekeert, inspireert al wie naar haar luistert;
niets brengt haar tot zwijgen, vurig als zij is.

Want zij is de Geest, een met God in wezen,
gift van de Verlosser aan zijn aardse bruid;
de sleutel is zij, toegang tot de schriften,
vogel uit de hemel, witte vredesduif.

Ik hoop dat het eerste Kempenbrede Pinksterfestival ons lichte energie, inspiratie en heilig vuur zal brengen!

Marie-Jantien Kreeft

Over de vijgenboom in de wijngaard.

Lucas 13.6-9

Jezus vertelt zijn leerlingen een gelijkenis van een vijgenboom in een wijngaard. Wat doet die vijgenboom daar behalve de grond uit te putten? Hij werpt schaduw over de wijn, drinkt het water op, geeft ook niet eens vijgen.
Je moet haast wel concluderen dat die vijgenboom een treffende gelijkenis met de kerk vertoont. De kerk staat daar in het veld en heeft daar eigenlijk weinig te zoeken. Hij staat alleen maar in de weg.

De eigenaar van de vijgenboom, de gene die hem daar ook geplant had (God) staat al met de bijl gereed om hem om te hakken. Maar dan springt er iemand voor die nutteloze boom in de bres: de wijngaardenier. Hij die het juist eens zou moeten zijn met de eigenaar van de vijgenboom (vijgenbomen en wijngaarden hebben elkaar niets te bieden) neemt het op voor die boom en biedt aan hem van mest en water te voorzien. Hij vindt de vijgenboom, ondanks dat hij geen vrucht draagt, toch de moeite waard. Misschien doet hij het over een jaar wel!
Voor die wijngaardenier zouden we Jezus kunnen invullen. Hij is met zijn leven in de bres gesprongen voor zijn leerlingen, opdat ze een toekomst zouden hebben. Zo zouden we ook de kerk kunnen zien: als een teken van hoop voor een betere toekomst.
Dat er nog kerken staan, en gemeenten leven, diep verworteld en met een lange slagschaduw over de wijngaard, is geen onderdeel van de absurditeit van deze tijd, maar juist het tégendeel daarvan: een teken van hoop en verzet, een bruggenhoofd van humaniteit en geloof dat de mens er mag zijn van God, en dat hij een toekomst heeft.
Dat betekent dat we wel vrucht zullen moeten dragen: genadig zijn zoals de wijngaardenier genadig is. Want dat is het zaad dat door de eigenaar van de boom is gezaaid, en de vrucht waarop hij hoopt.

Matthijs de Vries

Lam Gods

Onlangs zag ik Gent de voorstelling Lam Gods van de Zwitsers regisseur Milo Rau, die sinda anderhalf jaar artistiek leider is van het Nationale Toneel Gent. Rau ziet het als zijn missie om het theater opnieuw uit te vinden en stelde tien geboden op, die als regels moeten gaan gelden voor het nieuwe theatermaken. Een van die regels schrijft voor dat het theater dat in de stad wordt gemaakt ook ván de stad moet zijn. Op het toneel moeten de verhalen worden verteld die dicht tegen de actualiteit aanliggen, zo mogelijk gespeeld met mensen uit de stad zelf.

Met de voorstelling Lam Gods probeerde Rau zijn regels voor het eerst toe te passen. Als uitgangspunt voor het verhaal nam hij het altaarstuk van de gebroeders van Eijk, het Lam Gods. Op dit altaarstuk, uit de late Middeleeuwen, figureren de inwoners van Gent als Adam en Eva, aartsvaders, Maria kruisvaarders etc. Rau stelde zich de vraag wie er nu zou worden afgebeeld op het schilderij en nodigde de Gentenaren uit zich in te schrijven voor een rol in het stuk. Voor de rol van kruisvader ging Rau op zoek naar een Jihadstrijder die uit Syrie was teruggekeerd en dat leidde tot grote commotie in de Belgische politiek. Ook zijn voornemen om in elk voorstelling daadwerkelijk een lam te slachten haalde het niet. Uiteindelijk kwam er een toneelstuk tot stand in de vorm van een montage. Op het toneel stond een leeg frame met de afmetingen van het altaarstuk, dat gaandeweg werd ingevuld door spelers die zich kwamen melden bij twee acteurs die hen interviewden. Vervolgens namen zij hun positie in en werden onderdeel van het schilderij.

De methode van Rau geeft mij te denken. En dan vooral zijn uitgangspunt dat het verhaal weliswaar vormgegeven wordt op het toneel, maar in feite al in de stad aanwezig is. Het moet alleen zichtbaar worden gemaakt. Wat zou er gebeuren als je het concept van Rau toepast op de kerk? In de kerk verzamelen we ons rondom de Schrift, we leggen die elke zondag uit, we kennen daar de verhalen. Wil je iets van het evangelie weten dan is de kerk de vindplaats waar dat wordt doorgegeven. Maar als we nu eens anders gaan denken? En er vanuit gaan dat al die Bijbelse verhalen onder ons liggen. Gewoon in de samenleving? En dat het één van de taken van de kerken is om mensen daarvan bewust te maken. En hen aan de hand van het evangelie in feite hun eigen verhaal teruggeven? De kerk heeft nog het oude idee een ‘woord voor de wereld’ te hebben. De kerk weet wat de wereld nog niet weet., we hebben een missionaire opdracht. Maar dat plaatst de kerk ook in een tegenstelling, het is meer een instituut tegenover de samenleving dan een instituut ván de samenleving. In de ogen van Rau was het theater in een zelfde positie terecht gekomen. Het was niet meer van de mensen zelf. De kleine club die het draaiende hield gedroeg zich als elite. Met de voorstelling ‘Lam Gods’, brak hij uit het isolement. Hij gaf het theater aan de stad terug. De Gentenaren kwamen massaal kijken. En verbaasden zich over wie zij waren. Ik kwam het theater uit met een vraag. Zouden we de kerk ook aan de samenleving terug kunnen geven?

Ferdinand Borger