Ontregelend

Vlak voordat ik in slaap val hoor ik net na twaalven het begin van een aflevering van Nooit meer slapen op NPORadio1. Te gast is Tosca Nifterik, nu vooral schrijfster, maar in de jaren negentig bekend als de vrouwelijke helft van Theo en Thea, de populaire kinderserie van de VPRO. In vogelvlucht wordt er bij de eerste vragen haar biografie doorgenomen. Je bent ook misdienaar geweest hè, Tosca.  ‘Misdienette’, verbetert Tosca, zo heette dat toen. Maar nu geloof je niet meer toch? De vraag wordt wat lacherig gesteld. Jawel, zegt Tosca, ik geloof nog steeds. Er valt een kleine stilte, ik hoor de presentatrice aarzelen of ze hierop moet doorvragen. Ik ben voor mijzelf een soort van strenggelovige, op mijn manier, vervolgt Tosca. Ik kan me niet voorstellen dat alles wat er is, de hele wereld, door toeval zou zijn ontstaan.

Een paar weken geleden was de zangeres Anouk te gast bij DWDD om haar nieuwe plaat te promoten, liedjes vol met liefdes en verlangen. Waarom heb je het in één van je nummers over ‘u’ in plaats van ‘jij’, vroeg Matthijs van Nieuwkerk. Over wie heb je het daar? Er kwam een aarzelend antwoord. Die ‘u’ is iets dat veel groter is dan ik, daar richt ik me dan op, sommige mensen noemen dat God, verklaarde Anouk. Mag ik daar verder over doorvragen?, vroeg  Matthijs. Nee, zei ze, dat kan ik niet. Daarop viel ze stil. Ze kreeg tranen in haar ogen en keek even weg. Een ontregelende en ontroerende stilte.

De belijdenis ‘ik geloof’ of ‘ik geloof in God’ is een ongemakkelijke zin in een seculier debat. Kennis van geloof en christendom zijn dermate op de achtergrond geraakt dat menig presentator voelt dat er achter de vraag vooral glad ijs ligt dat je beter maar niet kan betreden. Een persoonlijke overtuiging hoort bij jezelf te blijven. Maar wat als de overtuiging de woorden geeft aan de taal van jouw liedjes? Wat als die overtuiging de bron blijkt van jouw creativiteit of innovatie waarmee je aan de dag treedt als mens? Religie kan alleen uit het publieke domein worden verdreven als je mensen verbiedt publieke mensen te zijn. En dat laatste zijn wij allen, zolang we in vrijheid leven tenminste.

De journaliste Yvonne Zonderop schreef onlangs het boekje ‘Ongelooflijk, over de verrassende comeback van religie’. Ooit katholiek opgevoed zwoer zij het geloof af, zoals zoveel babyboomers. Geloof was onderdeel van de instituten die konden verdwijnen. In haar boek maakt zij nu de balans op. Ze constateert dat er velen op zoek zijn naar zingeving en levensdoel. En dat het geloof dat we aan de kant hebben gezet daar volop in kan voorzien. Het biedt troost, zin en rituelen. En ook nog eens een gemeenschap die daar voor wil staan. Religie is hip aan het worden, stelt ze.

De vraag is nu of nieuwe zinzoekers hun weg naar de kerk weten te vinden. Opvallend in het verhaal van Zonderop is dat zij frank en vrij getuigt van de schat van de christelijke traditie, terwijl wij binnen de kerk die slechts nog aarzelend kunnen verwoorden. We kunnen vaak beter aangeven wat we niet meer geloven dan wat we wel geloven, gevangen in het seculiere frame dat enigszins lacherig van ons vraagt ons geloof in God te ontkennen. Je gelooft toch niet meer in God? Waarop dan een verontschuldigend, meegaand antwoord komt… Euh, ja eh, nee,  ik geloof niet dat God almachtig is, en het kwaad wil en nee,  God is geen man met een baard die op een wolk zit, mocht je dat nog denken, en natuurlijk al helemaal geen witte man, en ja hoor homo’s mogen best trouwen en van mij ook nog eens gezegend worden als in een huwelijk etc. etc. etc. Zo passen wij netjes binnen de verwachtingen die over ons worden uitgesproken. We geloven wel, maar zijn geen gekke Henkies, we zijn moderne mensen. Misschien gewoon eens proberen onze woorden opnieuw te rangschikken? Ik geloof in God omdat Hij/Zij de bron van alle verwondering is? En ik geloof in een gemeenschap van mensen omdat ik als mens niet alleen ben? Of misschien toch maar minder woorden er aan geven? Ja, ik geloof in God. Daar kan ik niet zoveel over zeggen. God overstijgt alle taal.  Het is een beetje als met liefde en houden van, daar weet ik ook niet zoveel van te zeggen. Het is er. Dan zal het gesprek stil vallen en wordt aarzeling ons deel. Zoals het bestaan van Abraham ooit opgebroken werd. En van Mozes. En van Ruth. En van de discipelen etc. etc. Elke Godsopenbaring sticht in eerste instantie verwarring. We blijken dan ineens deel te zijn van een mooi en eeuwenoud gezelschap: het genootschap van de ontregelde mensen.

Ds. Ferdinand Borger

 

 

 

Houvast

“Als alles donker is, ontsteek dan een lichtend vuur, een vuur dat nooit meer dooft” luidt de tekst van een geliefd lied uit de traditie van Taizé.

Het licht van Advent, dat kaarsje voor kaarsje elke week groeit, wordt in het groot overgenomen in Eindhoven en omgeving. Het lichtfeest Glow heeft ons allen weer geraakt met een adembenemend schouwspel van licht en kleur, in de duisternis van de nacht. Van een heel andere orde van grootte, maar met de zelfde universele boodschap is de Adventskrans bij ons thuis: met vier kaarsjes die op de zondagen aangestoken mogen worden, die zo een trapje vormen naar het Kerstfeest.

Het aansteken van kaarsjes, waxinelichtjes en gekleurde ledlampen helpt om allerlei donkere gedachten te verdrijven, en ons bedrukte gemoed te verlichten, is iets dat iedereen begrijpt. Licht is een universeel symbool dat betekenis zal houden zolang er mensen zijn op aarde, en daarna. Maar wat betekent het voor óns, in onze Christelijke traditie?

Bij ons staat het licht voor de geboorte van Christus, die steeds naderbij komt. Zoals een zwangere vrouw de weken telt totdat zij baren moet, zo tellen wij de weken tot de geboorte van Jezus. Waarom? Omdat het houvast geeft. In de joodse traditie worden de omers (een maat voor gerst) geteld van Pesach tot het Wekenfeest: zeven omers, vijftig dagen. Zo wist men precies wanneer het Wekenfeest begon. Wij tellen de zondagen zodat we zeker weten dat het tijd is om Kerstfeest te vieren.

Houvast hebben we nodig. Vertrouwen is goed, maar zekerheid is beter. Net zoals een kind aftelt voor zijn verjaardag, houden we God aan Zijn belofte.

Een andere Bijbelse figuur, Job, verwoordt dit houvast als volgt:

“Ik weet: mijn redder leeft, (…). Ik zal hem aanschouwen, ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander. Heel mijn binnenste smacht van verlangen.” (Job 19.25-27) En daarom kan Simeon na de geboorte van Jezus dankbaar zeggen: “met eigen ogen heb ik de redding gezien die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken…” (Lucas 2.30-31)

Wij smachten naar het aanschouwen van het wonder, dat deze redder geboren wordt. Hij is er niet onmiddellijk, hij moet nog groeien, net al het licht van Advent. Als het licht ineens op volle sterkte zou branden, zouden we verblind raken en wenden we onze ogen af, en komt van dat “met eigen ogen zien” niets meer terecht. Maar nu het licht al langzaam groeit, terwijl de natuur nog steeds donkerder wordt, groeit ook ons verlangen, en bereiden wij ons voor in de wetenschap dat we het mooiste feest nog tegoed hebben. En dat begint allemaal met één kaarsje dat zijn licht al mag laten schijnen in de duisternis.

Matthijs de Vries

 

Jezus zei het al: kom uit je bubbel!

Dit voorjaar verdiepte publicist en NRC columnist Bas Heine zich in de Bergrede uit het evangelie van Mattheus. Hij hield er zijn eigen Bergrede over in de Bergkerk in Amersfoort en er kwam een beknopte versie van in de krant. Wat hij daar zei trof me en ik wil er graag iets van met u delen.

En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijke bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Mattheus 5: 46-47

Voordat hij ingaat op de tekst van Mattheus beschrijft Heine hoe hij in zijn jeugd heilig geloofde dat het ideaal van gelijkheid en broederschap meer en meer terrein zou winnen in de samenleving en hoe hij, terugkijkend, moet constateren dat we daar anno 2018 verder van verwijderd lijken dan ooit!
Net als ik groeide hij op in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. In die tijd was de sociaal democratie een factor van betekenis, veroverde het feminisme terrein en vervaagden grenzen tussen landen onder invloed van de groeiende globalisering. Maar het proces van globalisering bracht mensen weliswaar met elkaar in contact, het heeft mensen tegelijk ook ontheemd gemaakt. Het heeft oude, traditioneel geordende gemeenschappen zelfs voorgoed veranderd. En dat keerde zich tegen het ideaal van een gedeelde, gelijk geschakelde menselijkheid.
Van de droom uit de vorige eeuw is vandaag de dag niet veel meer over, zo lijkt het. En steeds vaker worden individuele verlangens en belangen vereenzelvigd met die van het collectief, van de groep.
De gedachte dat we de tijd van verzuiling achter ons hadden gelaten blijkt een misvatting. De eigen groep, de gemeenschap, het geloof, de natie, de identiteit, daar gaat het om, dat wordt vandaag de dag benadrukt. Nieuwe identiteitspolitiek is niet gericht op de gelijkheid van mensen, maar juist op de onoverbrugbare verschillen.
Het lijkt misschien alsof iedereen dialoog wil, begrip, verbinding, maar o wee als iemand er echt werk van maakt! Vredestichters, verzoeners, wie het waagt met een witte vlag de oversteek naar het andere kamp te maken, krijgt het van twee kanten hard te verduren. De vredestichter breekt namelijk met de kringloop van achterdocht, woede en geweld en juist dat wordt hem of haar door alle partijen niet in dank afgenomen. Want afkeer en haat voelen is ook comfortabel, het geeft houvast en zekerheid. Zie hier onze huidige maatschappelijke en politieke werkelijkheid. We leven in onze eigen bubbel en nemen nauwelijks de moeite om de oversteek te maken naar de ander.

Toch, en dan komt Heine bij de tekst van Mattheus, toch is het precies dat waartoe Jezus oproept in het eerste deel van de Bergrede. Verlies jezelf, breek je ego af en neem wél de moeite om de oversteek te maken naar de ander. Want alleen zo, juist in verbinding met de ander, met begrip voor de ander, ben je werkelijk mens. Alle dingen die een mens van nature het liefst zou vermijden, zoals uit je comfortzone treden, jezelf in die zin geweld aan doen, je werkelijk verdiepen in de ander, kwetsbaar durven zijn, dat alles wordt hier als juist essentieel voor ons mens-zijn gepresenteerd.
Dat waar je instinctief voor terugschrikt moet je juist opzoeken, zo houdt Jezus ons voor. Eigenschappen die maatschappelijk als zwak, pijnlijk of suffig worden gezien: bescheidenheid, nederigheid, gebrek aan geldingsdrang, worden in de Bergrede van Jezus positief gewaardeerd, en dat is radicaal anders dan in onze huidige samenleving.
Heine verbaast zich over die radicaliteit en actualiteit van deze Bijbelse boodschap. En het is mooi te lezen hoe een niet gelovige als hij aangesproken wordt door het evangelie. Maar hij benoemt meteen ook het gevaar dat op de loer ligt bij dergelijke radicale boodschappen. En daar ligt voor mij de crux van zijn betoog, zeker met oog op ons kerk-zijn. Het gevaar van de radicaliteit van radicale boodschappen zoals we die vinden in het evangelie, is volgens Heine dat ze, ondanks hun radicale inhoud, zo gauw ingekapseld en zoetsappig worden. Het is zo gemakkelijk om dat waartoe Jezus hier oproept met de mond te belijden, zonder dat dat impact heeft op ons gedrag. Want ja, eerlijk gezegd is het eigenlijk gewoon teveel gevraagd, mijn ego laat zich niet zomaar afbreken!
En wat er dan gebeurt is dat we de Bergrede vervolgens omarmen als blije, menslievende boodschap in de zin van: wees goed voor je naaste, de arme, de zwerver, de immigrant, kortom de ander. We zijn immers allemaal mensen en in wezen gelijk, en als we die ander maar lang genoeg diep in de ogen kijken zullen we dat vanzelf gaan inzien….
Nee! De ander is wezenlijk anders dan jij! En je echt in de ander verdiepen kost inspanning, moeite, doet pijn. Uit je eigen comfort zone stappen gaat bepaald niet vanzelf.
De Bergrede is niet alleen maar een aanbeveling van goed leven, of zelfs een ethische opdracht die ergens in een andere wereld zal worden beloond met eeuwige zaligheid, nee, het is een aansporing om wezenlijk anders te leven dat je van nature geneigd bent.
De oude Sokrates zei dat het leven dat niet onderzocht is, niet waard is om geleefd te worden.
Jezus lijkt te zeggen dat een mens die het zichzelf niet moeilijk maakt, die niet tegen zijn eigen aandriften durft in te gaan, geen waardevol leven leidt.
In tegendraadse betrokkenheid zelf ligt de betekenis van het mens-zijn. Een mens is nooit meer mens dan wanneer hij zichzelf geweld aandoet, wanneer hij tegen zijn eigen instincten van veiligheid en zelfbehoud in handelt, wanneer hij zijn egocentrische streven naar eigenwaarde en roem eigenhandig onderuithaalt, wanneer hij zijn vijand tegemoet loopt en zich engageert met wat hij haat. Het vreemde is geen bedreiging maar noodzaak. Alles wat mij vreemd is, is gewenst. Help! Hoe radicaal wil je het hebben?

En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijke bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Mattheus 5: 46-47

Er is niets comfortabels aan deze woorden. Ze klinken als een smalende aanklacht tegen de mens die het zichzelf in alle opzichten gemakkelijk wil maken, die zich koestert in zijn gevoelde verwantschap met gelijkgestemden, en in zijn permanent gedeelde verontwaardiging over de ander. Jezus richt zich tegen mensen die gerieflijk in hun bubbel zitten, tot dezelfde sociale laag behoren, mensen die dezelfde mening hebben als wij, mensen die het bij voorbaat met elkaar eens zijn, mensen die elkaar aan één stuk door bevestigen in wat ze toch al vinden.
Die honende aansporing van Jezus is van alle tijden, maar ze lijkt bij uitstek op onze tijd gericht, tegen ons, nu. Zoveel in onze samenleving is erop gericht het ons gemakkelijk te maken en hier maant een stem van ruim tweeduizend jaar geleden ons om precies het tegenovergestelde te doen, niet uit recalcitrantie, niet om onszelf een goed gevoel te geven, niet om beloond te worden in een vaag hiernamaals. Hier is een stem die zegt dat als wij het onszelf niet moeilijk maken, het ons flink moeilijk gemaakt zal worden. Wanneer je je niet inspant om je daadwerkelijk in anderen te verplaatsen, je niet in gedachtewerelden probeert in te leven die niet de jouwe zijn, zal je zelf, zegt Jezus, minder mens zijn. Je eigen leven zal dan even comfortabel als nietszeggend zijn.
Die boodschap is in geen enkele tijd geruststellend. Nu is hij even radicaal als noodzakelijk, aldus Heine.
Wat mij betreft geldt dit niet alleen voor onze samenleving, maar zeker ook voor de kerk.

Marie-Jantien Kreeft

“Een goed gesprek”

Als ik op dreef ben kun je met mij een heel gesprek hebben over hardlopen en over de mooie routes door de Kempen. Ook over mijn favoriete voetbalclub uit de hoofdstad deel ik graag mijn inzichten met je. Vaak het mooiste voetbal, maar soms ook zo naïef en eerlijk is eerlijk: soms lijden ze aan zelfoverschatting. Je hoort het al: de club die mijn liefde heeft gewonnen, spaar ik niet!

Kun je als ik op dreef ben met mij ook een goed gesprek hebben over het geloof. Dat zou je toch wel verwachten van een dominee, maar ik aarzel om dat zo makkelijk te zeggen. Praten over het geloof, over mijn vertrouwen in/op God -, de schrijfwijze van de godsnaam mag ook zijn: g’d. Om meer ruimte te laten voor het verborgene en voor de eerbied. Praten over het geloof, een goed geloofsgesprek, is nog niet zo eenvoudig.

Het jaarthema van de Protestantse Kerk in Nederland is ‘een goed gesprek’. En van uitgeverij Ekklesia is begin september een praktisch boekje verschenen om te helpen. Want een goed gesprek, dat zouden we vaker moeten doen.

René de Reuver, scriba van de landelijke kerk, heeft een aanbeveling bij dit boekje geschreven. Daarin wijst hij erop hoe we allemaal hebben moeten leren spreken. Van het eerste gebrabbel van de baby en de aanmoediging van moeder en vader op weg naar de eerste woordjes. En over de noodzaak van voorzeggers en van het kunnen leren luisteren.
Het boekje opent met het verlangen naar een goed gesprek waarin er een wisselwerking is tussen luisteren en spreken. Soms zo mooi gezegd als ‘de ander tevoorschijn luisteren’. En dus ook de ruimte vinden om ‘jezelf tevoorschijn te spreken’. Dan gaat het er niet om de taal te gebruiken van de reclame of die van de overredingstechniek. Ook niet om de taal die informatie uit. In een goed gesprek ademt de ziel op en is er ruimte voor ‘de taal van de relatie’. Dan stamel je misschien, zwijg je soms en kom je samen tot de conclusie dat je een goed gesprek hebt gehad.

Ds. Wim Dekker

 

Het boek ‘Een goed gesprek’ telt 92 pagina’s en kost € 7,95 en is te verkrijgen via www.ekklesia.nl of Eengoedgesprek@ekklesia.nl. Vanaf zes exemplaren betaal je geen portokosten (€ 1,95).

Niet alleen

Het hoofd zat vol woorden. Langzamerhand waren ze binnengeslopen door het schrijven aan een boek. Ze hadden hun plek veroverd en leken niet meer weg te willen. Ik moest afstand van ze gaan nemen, ze dwingen het pand te verlaten en ze een plaats geven, ergens buiten.
Ik besloot van Vlissingen naar Parijs te fietsen. Een fysieke inspanning zou wonderen doen. Dat klopte. De natuur hielp mee. Op het vlakke West-Vlaamse land stak de wind op. De zon verdween, de wolken werden grijzer en zwaarder. Het grauwe IJzermomument bij Diksmuide prikte de wolken kapot. Drie dagen lang werden de hemelsluizen open gezet. Ze maakten het land nog troostelozer. En ik, ik fietste door en beulde me af op de trappers met een heilig moeten: Ik wilde naar Frankrijk, altijd een land van thuiskomen sinds ik er ooit heb gewoond. Ik wilde terug naar thuis. Maar ook het Franse land wilde mij niet zo maar omarmen. In de grensplaats Saint-Omer oogde het leven ruw. Ik schrok van het verval en de leegstand en van de zichtbare armoede van de bevolking. Ik stapte een café binnen en las een krant. Op zondag zou de zon gaan schijnen. Dat gaf hoop. Als alles meezat, zou ik aan de kust zijn dan. Ik dacht mijzelf al met een boek aan zee.

Het zat mee. Op zaterdag vond ik een camping niet ver van de zee. Op zondagochtend brak de zon door. Met boek en zwembroek haastte ik me op de fiets naar het strand. Op een kruispunt stonden een man en vrouw langs de kant van de weg. Ze hadden fietsen met platte banden. De man riep naar mij. ‘Die wil ik’ en hij wees op mijn fiets. Ik lachte, zei dat ik mijn fiets zeker tot aan Parijs nodig had en deze niet zomaar kon afstaan. De man hield vol. Ik stapte af. Hij bleek mijn pomp te willen lenen. Ik knielde naast zijn fiets, bekeek de band en zag dat het ventiel niet paste. ‘Je suis desolé’, zei ik, ‘het spijt me, ik kan u niet helpen.’ De vrouw keek mij aan en zei: ‘Weet u waar dat woord vandaan komt, desolé? Dat komt van seul: alleen, eigenlijk zegt u dat u alleen  bent nu’. ‘Ik ken de betekenis’, zei ik, ‘ik heb ooit in Frankrijk gewoond voor een stage. Op de dag van aankomst liet een vrouw mijn nogal wanordelijke onderkomen zien en riep luidkeels ‘je suis desolée! Ik kende het woord niet en probeerde de betekenis te herleiden. Zou desolé misschien van desolaat komen? Verlaten? Bedoelde de vrouw dat ze alleen was? Zou haar man bij haar weg zijn? Moest ik wat doen? Ik voelde me verlegen en onthand. Later begreep ik dat ze zich had verontschuldigd voor het  smerige appartement.”

De vrouw keek mij aan. ‘U houdt van communiceren’, zei ze, ‘dat zie ik aan u’. ‘Dat hoort bij mijn beroep’, zei ik. ‘Nee’, zei ze, ‘het is meer dan dat, u wilt wat vertellen, dat ziet u als uw taak, als een noodzaak’.

Toen volgde er een gesprek waarvan ik de inhoud niet meer weet. Dat komt omdat ik het gevoel had dat de vrouw mij kende en dingen van mij wist die ze niet kon weten. Het leek alsof ze zomaar antwoord gaf op vragen die met mij meereisden. Vragen die ik me bij de striemende regen en tegenwind had gesteld. Vragen of ik wel de goede keuzes maak nu ik ouder word en de tijd schaarser. En of het wel zinvol is je om je leven te willen wijden aan kerk, media of kunst. Al die vragen kende zij niet. Het gesprek overrompelde, ontroerde en duurde niet langer dan tien minuten.

‘Weet u’, zei de vrouw, ‘volgens de Franse etiquette moeten wij nu ook onze spijt betuigen dat u niet kon helpen. ‘Nous sommes desolés aussi’. ‘Dat is niet waar’, zei ik, ‘het kan niet zo zijn dat wij door dit gesprek alle drie meer alleen zijn geworden. Integendeel zou ik zeggen’. ‘U heeft gelijk’, zei de vrouw, ‘dit was een bijzondere ontmoeting’. ‘Dat vond ik ook’, zei ik. We namen afscheid en wensten elkaar een mooi leven toe. ‘Que Dieu vous bénisse.’

Op het strand las ik mijn boek en de dagen daarop fietste ik naar Parijs. In de zon. Met het gevoel gekend te zijn door een onbekende. En helemaal niet meer: alleen.

Ferdinand Borger