Niet alleen

Het hoofd zat vol woorden. Langzamerhand waren ze binnengeslopen door het schrijven aan een boek. Ze hadden hun plek veroverd en leken niet meer weg te willen. Ik moest afstand van ze gaan nemen, ze dwingen het pand te verlaten en ze een plaats geven, ergens buiten.
Ik besloot van Vlissingen naar Parijs te fietsen. Een fysieke inspanning zou wonderen doen. Dat klopte. De natuur hielp mee. Op het vlakke West-Vlaamse land stak de wind op. De zon verdween, de wolken werden grijzer en zwaarder. Het grauwe IJzermomument bij Diksmuide prikte de wolken kapot. Drie dagen lang werden de hemelsluizen open gezet. Ze maakten het land nog troostelozer. En ik, ik fietste door en beulde me af op de trappers met een heilig moeten: Ik wilde naar Frankrijk, altijd een land van thuiskomen sinds ik er ooit heb gewoond. Ik wilde terug naar thuis. Maar ook het Franse land wilde mij niet zo maar omarmen. In de grensplaats Saint-Omer oogde het leven ruw. Ik schrok van het verval en de leegstand en van de zichtbare armoede van de bevolking. Ik stapte een café binnen en las een krant. Op zondag zou de zon gaan schijnen. Dat gaf hoop. Als alles meezat, zou ik aan de kust zijn dan. Ik dacht mijzelf al met een boek aan zee.

Het zat mee. Op zaterdag vond ik een camping niet ver van de zee. Op zondagochtend brak de zon door. Met boek en zwembroek haastte ik me op de fiets naar het strand. Op een kruispunt stonden een man en vrouw langs de kant van de weg. Ze hadden fietsen met platte banden. De man riep naar mij. ‘Die wil ik’ en hij wees op mijn fiets. Ik lachte, zei dat ik mijn fiets zeker tot aan Parijs nodig had en deze niet zomaar kon afstaan. De man hield vol. Ik stapte af. Hij bleek mijn pomp te willen lenen. Ik knielde naast zijn fiets, bekeek de band en zag dat het ventiel niet paste. ‘Je suis desolé’, zei ik, ‘het spijt me, ik kan u niet helpen.’ De vrouw keek mij aan en zei: ‘Weet u waar dat woord vandaan komt, desolé? Dat komt van seul: alleen, eigenlijk zegt u dat u alleen  bent nu’. ‘Ik ken de betekenis’, zei ik, ‘ik heb ooit in Frankrijk gewoond voor een stage. Op de dag van aankomst liet een vrouw mijn nogal wanordelijke onderkomen zien en riep luidkeels ‘je suis desolée! Ik kende het woord niet en probeerde de betekenis te herleiden. Zou desolé misschien van desolaat komen? Verlaten? Bedoelde de vrouw dat ze alleen was? Zou haar man bij haar weg zijn? Moest ik wat doen? Ik voelde me verlegen en onthand. Later begreep ik dat ze zich had verontschuldigd voor het  smerige appartement.”

De vrouw keek mij aan. ‘U houdt van communiceren’, zei ze, ‘dat zie ik aan u’. ‘Dat hoort bij mijn beroep’, zei ik. ‘Nee’, zei ze, ‘het is meer dan dat, u wilt wat vertellen, dat ziet u als uw taak, als een noodzaak’.

Toen volgde er een gesprek waarvan ik de inhoud niet meer weet. Dat komt omdat ik het gevoel had dat de vrouw mij kende en dingen van mij wist die ze niet kon weten. Het leek alsof ze zomaar antwoord gaf op vragen die met mij meereisden. Vragen die ik me bij de striemende regen en tegenwind had gesteld. Vragen of ik wel de goede keuzes maak nu ik ouder word en de tijd schaarser. En of het wel zinvol is je om je leven te willen wijden aan kerk, media of kunst. Al die vragen kende zij niet. Het gesprek overrompelde, ontroerde en duurde niet langer dan tien minuten.

‘Weet u’, zei de vrouw, ‘volgens de Franse etiquette moeten wij nu ook onze spijt betuigen dat u niet kon helpen. ‘Nous sommes desolés aussi’. ‘Dat is niet waar’, zei ik, ‘het kan niet zo zijn dat wij door dit gesprek alle drie meer alleen zijn geworden. Integendeel zou ik zeggen’. ‘U heeft gelijk’, zei de vrouw, ‘dit was een bijzondere ontmoeting’. ‘Dat vond ik ook’, zei ik. We namen afscheid en wensten elkaar een mooi leven toe. ‘Que Dieu vous bénisse.’

Op het strand las ik mijn boek en de dagen daarop fietste ik naar Parijs. In de zon. Met het gevoel gekend te zijn door een onbekende. En helemaal niet meer: alleen.

Ferdinand Borger

Professor, bestaat God?

De Rijksuniversiteit Groningen ontving een brief van de zevenjarige Anco, met de vraag: “Bestaat God – kan de universiteit dat uitzoeken?” Deze brief kwam terecht op het bureau van de sterrenkundige Peter Barthel. Hij beantwoordde Anco’s vraag en bewerkte zijn antwoord in een lezing, die later werd gepubliceerd in Trouw.
Het antwoord van Barthel komt in het kort hierop neer dat het godsbeeld van een persoonlijke God die een Naam heeft en die zich bezighoudt met u en mij, zijn langste tijd gehad heeft. In plaats daarvan ziet hij God meer als een bezielende Geest, die ons ertoe oproept het goede te doen: onze naaste lief te hebben als ons zelf.
Wat mij aansprak was een schemaatje waarmee werd duidelijk gemaakt dat een mens via drie verschillende lijnen in contact staat met het mysterie dat ons omgeeft: de kosmos. Als we naar de sterren kijken, denken we wel eens bij ons zelf: “wat zijn we toch eigenlijk een klein stofje in een onmetelijk groot heelal.” Een gevoel van verwondering. Het roept ook de vraag op naar de zin van dit alles. Op allerlei manieren gaat de mens om met deze vraag naar de zin van het bestaan. Je kunt denken aan de filosofie, de (exacte) wetenschap, de kunst (schoonheid en orde), en het geloof.
Maar wat is geloof als God een naamloze geest wordt en Jezus slechts een belangrijke historische figuur? Kan de Geest los gemaakt worden van Vader en Zoon? Wat is het nut van bidden als God niet luistert? Barthel zegt wel ergens dat we de handen en voeten van God moeten zijn, maar wat heeft dat voor zin als er geen hoofd meer is?
Een andere manier om over God te praten is vanuit de ervaring. Het gevoel van “Ik heb gemerkt dat God iets wil met mijn leven. Daarmee wordt het wel een subjectief verhaal, terwijl de zevenjarige Anco eigenlijk zocht naar een wetenschappelijk bewijs van God, dat helaas door professor Barthel niet geleverd kon worden. Dus is eigen ervaring waar we het mee moeten doen.
Veel mensen geloven in deze tijd zoals Peter Barthel doet. Velen zullen zich ook herkennen in de morele oproep: geloven is een werkwoord, belijden-is-doen. Daden gaan woorden te boven. Dat geldt voor onze daden, maar ook voor Gods daden. Aan ons de taak om die genade en liefde te laten zien, zodat voor zo veel mogelijk mensen die ervaring van God als een liefdevolle vader of als een goede herder, werkelijkheid wordt in hun leven.
Of vrij naar een Amerikaanse gospel: laat Christus door ons herkenbaar zijn, aan onze liefde.

Matthijs de Vries

 

Een ‘nieuw wij’

Kaj Pollak maakte de schitterende film ‘As it is in heaven’, misschien kent u hem. In een van de laatste shots van de film zien we een groep mensen op een podium staan in een grote zaal met publiek. Ze zijn van ver gekomen om mee te doen aan deze korencompetitie.
Het is stil …. ze wachten …. ze wachten op diegene die hen het laatste jaar tot een ‘nieuw wij’ heeft gemaakt. Hijzelf, ooit een beroemd dirigent, had niets meer te verliezen gehad en was teruggekeerd naar het dorp op het Zweedse platteland waar hij was opgegroeid.
Daar had hij hen eerst weer leren ademen. Gewoon, in en uit, in en uit …. hij had ze leren voelen, allemaal liggend op de grond met het hoofd op de buik van een ander …. goed, niet iedereen kon dat meteen waarderen, maar het werkte!
Ze waren niet alleen gaan ademen, en voelen, maar er werd ook weer gelachen.
En het was weer vol in de kerk op zondag! Ondanks de verkrampte plaatselijke dominee met z’n rigide Godsbeeld, z’n machtsstreven en al zijn frustraties.
En één voor één had hij hen stem gegeven.
De grote vent met het verstand van een kind,
Olga, het mooie meisje uit de supermarkt,
de vrouw van de dominee,
zelfs Gabriella, waarvan iedereen wist dat haar man haar mishandelde en waaraan niemand iets deed ….
Eén voor één had hij hen stem gegeven en nu zouden ze deze competitie zeker gaan winnen.
Ze staan daar, ze wachten … terwijl ergens anders op dat moment de dirigent z’n laatste adem uitblaast. Hij zal niet komen …
En dan..
De grote jongen met het verstand van een kind zet in. Hij begint te zingen, één toon, een lange toon, zonder woorden…en dan klinkt er nog een toon en nog een en nog een. Allemaal verschillende tonen onder, boven en door elkaar en als de hele groep op het podium stralend staat te zingen valt de zaal in. En rij voor rij staan mensen op om in te stemmen met dit prachtige lied zonder woorden en daarmee eindigt dan de film.

Ik dacht: is dit niet waar het om gaat?
Dankzij een mens die niets meer te verliezen had, Jezus van Nazareth, ontstaat een nieuw wij? Een veelkleurig, veelstemmig ‘nieuw wij’?
Wat deed Hij anders dan tegen de gevestigde religie in, met al haar krampachtigheid, machtsstreven en frustraties mensen, vrouwen en mannen, opnieuw leren ademen.
In en uit …. Gods adem in en uit ….
Wat deed Jezus anders dan mensen opnieuw leren voelen! leren leven! Ja, en weer leren lachen, dat ook!
‘As it is in heaven’ …. Hij is inderdaad de afwezige dirigent, het lege graf, het lege midden …. waar het geheim het geheim blijft, maar waaromheen mensen een nieuw wij vormen. Mensen die opstaan, zich durven laten horen, samen in alle verscheidenheid op hun beurt anderen weer laten ademen, voelen, leven en lachen . En dan hoop ik zo dat wij die mensen willen zijn.

Marie-Jantien Kreeft

Het onvermoede tegemoet

Het onvermoede tegemoet

In de veertigdagentijd tot net over de Paasdagen heen heb ik het boek gelezen van Leonie van Straaten: ‘Iedereen gaat dood – over de onzekerheid van ons bestaan’. Ik wil niet alleen vertellen dat ik dat boek heb gelezen. Nee, ik wil vertellen dat ik dat boek over de dood en de onzekerheid van het bestaan heb gelezen in de liturgisch sterke periode van lijdenstijd en paastijd. Een andere schrijver, de Tsjechische Tomas Halik, maakt in zijn boek ‘Ik wil dat jij bent – over de God van liefde’ de opmerking dat het de moeite waard is om in een boek aan te tekenen of ergens op te schrijven wanneer je dit of dat boek hebt gelezen. Read more

Overdenking

Overdenking

Waardering Matteüs 20.1-17

Tijdens de carnavalsoptochten werden we er weer aan herinnerd: volgende maand krijgen we weer de
gelegenheid om via de stembus een beetje sturing te geven aan hoe wij een ideale samenleving voor ons zien,
te beginnen bij onze eigen gemeente. Is de ideale samenleving er één waarin alles gelijk verdeeld wordt? Of is
het een samenleving die maximale vrijheid geeft aan individuele mensen met bijzondere talenten? Een waar
alle goederen op een handige en efficiënte manier worden verdeeld? Of een waar de zwakkeren er ook bij
horen? Read more